Je begon je onderwijscarrière in 1980 als docent Lichamelijke
Opvoeding (LO) op de Hendrik Andriessen mavo in Haarlem en een lagere school in
Amsterdam. Was het een bewuste keuze om het onderwijs in te gaan?
“Nee, daar dacht ik totaal niet over na. Als boerendochter kreeg
ik het schooladvies mavo. Mijn ouders vonden dat prima. Ik hoefde me niet voor
te bereiden op een carrière, een logische stap zou het huwelijk zijn. Maar een
vriendin van me ging naar het vwo dus dat wilde ik ook. Ik was een beweeglijke
leerling; ik kon hard rennen en aardig turnen. Toen ik hoorde van de Academie
voor Lichamelijke Opvoeding leek me dat wel iets voor mij als vervolgopleiding.”
Beviel het werk als gymdocent?
“Ik vond het enig! Ik heb lang op verschillende basisscholen
gewerkt en kinderen in die leeftijd zijn dol op beweging. Ik leerde ze allerlei
dingen, zoals goed touwklimmen. Voor het stadsdeel Bos en Lommer in Amsterdam
heb ik nog een programma LO geschreven. Helaas werd er op een gegeven moment sterk
bezuinigd op het LO. Toen ben ik de pabo als aanvulling gaan doen, zodat ik ook
andere lessen kon geven.”
Waarom ben je naar het voortgezet speciaal onderwijs (VSO)
overgestapt in 1995?
“Ook hier heb ik niet bewust over nagedacht. Ik zag de
advertentie voor een baan op de – toen nog – VSO LOM Daaf Gelukschool en wilde
gewoon eens wat anders. Maar als ik terugkijk op mijn loopbaan heb ik altijd onbewust
gekozen voor scholen met leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben. Op de
school in Bos en Lommer zaten bijvoorbeeld veel kinderen van Turkse en
Marokkaanse afkomst met een taalachterstand. Die uitdaging trekt me. Reguliere
scholen hebben mij niet nodig.”
Waarom klikt het zo goed tussen jou en het speciaal
onderwijs?
“Wat ik terug hoor van anderen: ik ben streng, maar ook
duidelijk en lief. Je moet organisatorisch sterk zijn, goed voorbereid en een
duidelijke structuur bieden. En eerlijk zijn. Gewoon durven zeggen: ‘Dit heb ik
niet goed gedaan, dat ga ik de volgende keer anders doen.’ Verder ben ik altijd
héél betrokken geweest bij mijn leerlingen. Vroeger gingen we op huisbezoek,
dan leerde je de thuissituatie kennen en snapte je elkaar beter. Door
tijdgebrek kan dat helaas niet meer.”
In 2004 werd je gevraagd te solliciteren als directeur
van de Daaf Gelukschool. Waarom zei je ja?
“We hadden een onrustige periode achter de rug met verschillende
interim-directeuren en veel verloop. Die onrust deed de school geen goed, dat
ging me aan het hart. Ik dacht: als ik wil dat deze school blijft voortbestaan,
moet ík het maar doen. Dus ben ik in het diepe gesprongen, zoals ik wel vaker
doe. Ik heb het hartstikke leuk gevonden al die jaren, al heb ik het lesgeven
wel gemist. Dat was ik er graag naast blijven doen, maar dat ging gewoon niet.
Het directeurschap kostte veel tijd, zeker toen de Prof. Dr. Gunningschool er
ook nog bij kwam.”
Wat voor een type directeur ben jij?
“Ik ben hard op de inhoud en warm op de persoon. Als iets
niet lukt, ga ik broeden op een plannetje hoe ik het tóch voor elkaar krijg. Ik
kan behoorlijk volhardend zijn, haha. Wat ik ook terug hoor: ik ben bevlogen en doe
wat ik zeg. Zo krijg ik mensen mee. Iedereen is voor mij gelijk, er is geen
afstand tussen mij en anderen.”
Als je terugkijkt, waar ben je trots op?
“Als VO-school heeft de Daaf Geluk veel meegemaakt. We kregen er op een gegeven moment steeds meer
leerlingen met een VSO-indicatie bij. Wij zagen dat dat goed werkte: de
leerlingen met een autismespectrumstoornis leerden van de LWOO-leerlingen, die op
hun beurt weer meer stappen durfden te zetten. Maar vanuit wetgeving mochten we
VO- en VSO-leerlingen niet mengen, we moesten ze scheiden. De Inspectie heeft
ons daarop gewezen. Het is me uiteindelijk toch gelukt om te laveren op de
grens van wat de wetgeving aangaf en wat goed was voor onze leerlingen.
Voor de Prof. Dr. Gunningschool vind ik het een wapenfeit
dat we als team meer structuur hebben aangebracht en dat het gelukt is om de
medewerkers in de VO-schaal te laten inschalen. Want het was natuurlijk heel raar
dat mensen die met leerlingen werken met een complexe gedragsproblematiek, niet
financieel gelijkgesteld werden aan hun collega’s in het reguliere voortgezet onderwijs.”
Vind jij het onderwijs veranderd, in de afgelopen 40
jaar?
“Je moet steeds meer verantwoording afleggen over alles wat
je doet. Alles wordt ingedeeld in uren en ieder kind heeft een eigen ontwikkelingsperspectief
dat je moet bijhouden. Dat is op zich goed, maar het kost wel heel veel tijd. Er
mag best wat meer basisvertrouwen komen dat we het goed doen.
Of de kinderen veranderd zijn? Ze zijn misschien mondiger
geworden, net als de ouders. Dat is niet per se negatief hè. Dat ouders
betrokken zijn bij school en opkomen voor hun kind, vind ik op zich goed.
Bovendien kunnen wij als school ook fouten maken. Zolang je in gesprek blijft
met elkaar en je realiseert dat iedereen uiteindelijk het beste wil voor een
kind, kom je er altijd samen uit.”
Wordt het moeilijk voor je om het onderwijs los te laten?
“De mensen, de gezelligheid en de sfeer ga ik zeker missen
en ik zal heus wel eens denken als ik ’s ochtends wakker word: waarom was ik ook
alweer gestopt? Maar dan spring ik mijn bed uit en ga ik plannen maken. Ik wil
erachter komen wat ik nog meer leuk vind, naast het onderwijs. Daar kom ik nu
niet aan toe doordat ik te druk ben met mijn werk. Misschien ga ik vrijwilligerswerk
doen, bijvoorbeeld Nederlandse les geven aan niet-Nederlandse vrouwen. Iets doen
met een maatschappelijke relevantie. Ik wil ook Spaans leren en salsadansen,
dus ik denk erover om voor twee maanden naar Spanje te gaan. Ik hou van reizen
en ander culturen ontdekken. Ach, ik zie het wel. Het moet in ieder geval iets
met mensen zijn. Ik ben een mensenmens: ik wil samen met anderen optrekken,
verbindingen leggen. De gezelligheid van de groep, daar gaat het mij om.”
Heb je tot slot nog een advies voor je opvolgers, en voor
je collega’s?
“Ik krijg twee hele goede opvolgers: Kim Weidemann en
Jeffrey Delforge en heb alle vertrouwen in hen dat zij alle uitdagingen die er
liggen op een goede manier, samen met het team, oppakken. Als advies wil hen
meegeven: Laat je niet gek maken door alle perikelen om je heen. Blijf de
warmte op beide scholen zien en houd die vast. Voor mijn collega’s: Ben er voor
elkaar en blijf de verbinding bewaren. Zorg dat je weet wat de ander en de
leerlingen drijft, dan kun je samen verder groeien.”